Fietsen

‘Tot vanavond’!

Ik geef de kat een vluchtige aai en trek de deur achter me dicht. Ik ga eten met mijn ‘uit-eten-vriendin’.

Behendig draai ik de motor uit de garage, Tik de standaard weg en steek het sleuteltje in het contact. Ik draai een halve slag, knijp in de handrem en geef gas.

Niks.

Ik check de sleutel en de noodstop. Alles staat goed. Ik probeer het nóg een keer.

Niks.

Geen vertrouwd geronk, geen benzinelucht, geen beweging..

‘Ja… dús?’ Antwoordt mijn garagehouder nors als ik hem met paniek in mijn stem bel.. ‘Jullie hebben toch zo’n ophaalservice?’ Stamel ik. ‘Klopt,’. Snauwt hij. ‘Dat wordt dan volgende week donderdag. ‘Kost je vijfentwintig euro’.

Volgende week donderdag. Mijn hart staat stil.

Dat wordt dus fietsen. Fietsen. Ik! Als hartstochtelijk motorrijdster heb ik een grondige hekel aan fietsen. Ik hang op en loop naar de schuur. Mijn fiets staat nog op dezelfde plaats als waar ik hem jaren geleden heb neergezet. De moed zakt in mijn schoenen en ik bel mijn vriendin af. Slappeling.

Als ik de de volgende ochtend wakker word kijk ik eerst naar buiten. Het is droog, de blaadjes aan de boom bewegen rustig op de wind. Gelukkig. Vol goede moed neem ik een koude douche, trek een sportieve outfit aan en spring op de fiets.

Ik slinger gevaarlijk heen en weer en verbaas me erover dat ik het makkelijker vindt om een motor van tweehonderd kilo in bedwang te houden.

Na een tijdje rijdt een automobilist luid toeterend achter me. Met wilde gebaren en een boze blik wijst hij naar het fietspad. Dan zie ik dat ik een druk kruispunt nader en als enige fietser tussen de auto’s fiets. Geschrokken wil ik rechts voorsorteren, herinner me vaag iets van een hand uitsteken en ik lach verontschuldigend naar de boze meneer. Eenmaal op het fietspad, krijg ik de slag te pakken. Ik haal andere fietsers in, krijg het warm en ik begin er zelfs een beetje van te genieten.
Ik verbeeld me dat er publiek langs de kant van de weg staat. Ze klappen in hun handen en roepen mijn naam.. Als ik hijgend boven aan de brug kom waan ik me de etappewinnaar.

Vanaf de brug race ik naar beneden. Ik trap zo hard als ik kan en als ik het volgende kruispunt nader waar het verkeerslicht voor fietsers op groen staat, trek ik een laatste sprint. Ik geniet van de frisse ochtendlucht en het heiige gras. Ik ruik geen uitlaatgassen maar koeienpoep. Als de natuur steeds mooier wordt en ik het dak van de Arena nog steeds niet in zicht is, vraag ik een meisje naar de snelste weg. Ze denkt even na en stuurt me terug. ‘Kwartiertje fietsen, dan zie je het vanzelf.’ Ik rijd dezelfde route nog een keer en tot mijn verbazing ben ik niet opgefokt maar geniet ik van mijn tocht door de polder.

Fris en opgetogen ga ik aan het werk. Ik kijk nu al uit naar de terugweg.

Aan het eind van mijn werkdag zie ik donkere wolken aan de hemel. Met mijn heerlijke fietstocht nog in mijn geheugen, bedenk ik dat een regenbuitje erbij hoort. Na vijf minuten fietsen vallen de eerste druppels.
Ik heb wind tegen. Het gaat steeds harder regenen en ik mis mijn warme motorpak. Het waait nu zo hard dat ik nauwelijks vooruit kom. Op de motor was ik al thuis geweest.

Als ik de brug op fiets, voel ik mijn bilspieren branden. Mijn bovenbenen voelen pijnlijk en stijf. Ik ben buiten adem en mijn sportieve outfit is doorweekt.
Na ruim drie kwartier tobben kom ik doorweekt thuis. Alles doet zeer. Ik heb het koud en ik ben intens chagrijnig. Ik strompel naar de woonkamer en bel de garage ‘Wanneer komt u mijn motor ook alweer ophalen?’
‘Donderdag heb ik gezegd. Geen dag eerder.’ De man heeft duidelijk geen medelijden. ‘Is er echt geen andere mogelijkheid,’ vraag ik hem, tegen beter weten in.
‘Ja hoor. Als je hem vandaag zelf komt brengen, dan is hij morgenmiddag klaar’.. Ik hoor het leedvermaak in zijn stem.

Ik kijk naar het plasje regenwater dat zich onder mijn voeten op de grond aftekent. Ik maak een snelle afweging. Mijn motor weegt tweehonderd kilo, de garage is zeker vijf kilometer hiervandaan. ‘Ik kom eraan!’ zeg ik enthousiast. Nat ben ik toch al.