High Society People

Mijn Lief en ik zijn bijna onafscheidelijk. We delen haast alles met elkaar en we werken ook nog samen. Er is alleen één ding waar we nooit samen naar toe gaan: feestjes. Mijn Lief haat feestjes. Ik ga dus al jaren alleen op pad en gebruik daarvoor standaard hetzelfde excuus: hij heeft een golftoernooi. Hij blij, ik blij. Niets aan de hand.

Totdat we een uitnodiging kregen voor een super chic feest. Een high society party op een poep-chic jacht.

Na enig aandringen, mopperen en pruilen, geeft hij zich gewonnen. Hij gaat mee!

Op de avond van het feest, sta ik ruim op tijd klaar. Een charmante jurk, onopvallende perfecte make-up, elegante sieraden en mijn allerhoogste hakken. Als Lief me komt halen, moet ik nog even mijn haar doen, nog even een andere jas pakken en nog even naar de wc. Ik hoor hoe hij ongeduldig toetert. Ik trek de voordeur achter me dicht en zie de askegel van zijn sigaret in het donker oplichten.

‘Let’s go, Martens,’ zegt hij nors, ‘we moeten er over tien minuten zijn.’

We scheuren over de weg en jakkeren het laatste stuk naar de haven over een slecht stuk wegdek. Stof waait op en losse steentjes tikken tegen de glanzende lak en de voorruit. Ik kreun inwendig. Ik zie de gefocuste blik van Lief en weet dat zijn ogen fel staan en donkerbruin worden. Met een grote draai, stuurt Lief de auto een parkeerplek op en trapt bruusk op de rem.

Ik stap snel uit, gooi het portier dicht en loop naar de steiger. Het jacht is prachtig versierd. Aan de masten en voorsteven hangen lampjes in alle kleuren van de regenboog. Het schip ligt er sprookjesachtig bij. Geroezemoes, muziek en getinkel van glazen stijgt op vanuit de kajuit. Pavlov zegt wijn!

Ik kijk achterom. Lief rookt nog gauw een sigaret bij de auto. Ik heb geen zin om op hem te wachten en loop gehaast het plankier op. Voorzichtig zet ik mijn voeten op de onstabiele ondergrond. Glanzend metaal met allemaal gaatjes. Ik doe een paar grote stappen en net als ik me bedenk dat ik beter op mijn tenen kan lopen zakt mijn naaldhak door een gat. Ik blijf doodstil staan en hou mijn adem in. Niet doorlopen, dan breekt hij zeker. Ik probeer voorzichtig mijn voet op te tillen.

Maar de hak zit vast. Muurvast.

‘Wat doe je?’
Lief roept hard naar me. Ik doe alsof ik het niet hoor en wens hartstochtelijk dat mijn hak nú losschiet.

‘Wat doe je? Loop eens door.’
Hij staat nu vlak achter me en geeft me een zacht duwtje in mijn rug. Ik voel zweetdruppeltjes prikken op mijn voorhoofd.

‘Ik zit vast.’
Mijn stem klinkt onvast. Voorzichtig beweeg ik mijn voet nog een keer.

‘Martens, muts!’
Lief zakt vloekend door zijn knieën en legt zijn ene hand om mijn enkel en met de ander begint hij ongeduldig aan mijn schoen te trekken. Niks. De naaldhak zit onbeweeglijk vast. Ik zet mijn handtas neer en trek met twee handen hard aan mijn enkel.
‘Haal je voet uit je schoen, dan probeer ik hem los te trekken.’
De irritatie in zijn stem ontgaat me niet.

Ik wurm mijn voet uit de pump en hou me op één been staande.

Daar sta ik dan. Onhandig te wiebelen. Mijn charmante jurk half opgetrokken, mijn Lief op zijn knieën voor me. Hij rukt, duwt en trekt. Ik zie gouden lovertjes door de lucht vliegen. De met zacht suède bekleedde hiel, raakt los en het plastic van de hak wordt zichtbaar. De tranen prikken in mijn ogen maar ik durf niets te zeggen.

De schoen geeft geen centimeter mee en de bewegingen van Lief worden steeds driftiger.
Krak. Plons.

Er volgt een korte stilte. Dan slaak ik een kreet en Lief vloekt keihard. Ik kan wel janken.

Lief staat op en slaat zijn broek af. ‘Geef die andere schoen eens,’ zegt hij kordaat.

Als we even later het jacht oplopen, trek ik eerst een glas wijn van een dienblad en drink het glas in één teug leeg. Ik glimlach naar de high society om me heen. Ik sta. Op twee benen. Maar wel zestien centimeter lager dan toen ik van huis vertrok.